NL | FR

Grote boom, grootse boom : een gedicht voor de boom

In onze proeftuin testen we vele soorten bomen, ook en vooral bomen die snel groeien.  
Want er is het onbarmhartige gezegde  "boompje groot, plantertje dood". 
Snelgroeiers vormen wel snel een grote boom maar meestal is die niet erg decoratief. 
Hun vorm of takkenstructuur (habitus) is daarvoor veelal te regelmatig. 
Vandaar onze zoektocht. 

Ook bomen die slechts een lichte schaduw geven, interesseren ons sterk als schaduwboom.
Geen enkele parasol kan immers tippen aan een bladerdek dat het zonlicht lichtjes wegfiltert.  

Vandaar dat we van vele potentieel interessante soorten bomen groeigegevens bijhouden.  
Die gegevens bekomen we onder meer door elk jaar de stamomtrek te meten. 
Om die te meten met een meetlint moeten we de bomen echt omhelzen want ze zijn al dik. 
Tijdens een zulke omhelzing ontstond dit gedicht ter ere van de boom.  

 

 

 

 



God en klein Pierke
 

vangen hoge bomen echt veel wind ? 

och zwijg toch jij onnozel kind

voor ’t program mag ‘k toch iets vragen ?

ok ok maar sta niet te zagen

een boom mag men niet zagen

ga je mij nog plagen ?
heb je geen betere vragen ?
zou je niet op mijn wortels willen staan
het zou mij veel beter vergaan  

laat ons ’t hebben over onze relatie

relatie ? relatie ?
een moeilijk team ! een cohabitatie !
‘k las onlangs in de haagse courant
over zeven miljard mensen
of iets in die trant  

de courant dat is toch papier ?

och man hou op met dat gezeik
kijk naar mij ik ben een eik
ALLE VEZELS NOG AAN TOE !
papier komt van de abeel
of een andere weet ik veel
van de eik zo ’t past
maakte Louis XIV zijn kast
liever niet praten van malheuren
of ze zullen nog gebeuren

zes of zeven miljard is heel veel
toch is eenieder individueel                                                           

klein klein Pierke
doe uzelf een plezierke
grote mond
jij weet het ook
de cirkel is rond
onze relatie intensief
veel meer dan u lief
zonder mij blijf ook jij
niet lang gezond en blij 
de mens zonder excuus
ligt bij ons aan ’t infuus
wij geven u lucht

’t is waar (zucht)
God toch !

grootouders lang geleden
werden zo aanbeden 

dat bedoelde ik niet
oude zeurpiet
domme eikel

ben jezelf
ik ben ’t geweest 
jij bent het nog
toch ?
oud stokoud
stok is hout
in essentie
de mensenkalender
heeft een andere dimensie
doet lijden
heeft niet veel bladzijden
de eeuw is voor u de limiet
ik heb er vijf in het verschiet
God was misschien overdreven
toch bepalen wij uw leven
en voor dat alles voor dank
krijgen wij alleen stank
ons aanbidden is wat te gek
maar waarom geen dienstencheque ?                                                        

Ach boom je bent voor mij
de lucht die ik adem

lach maar schoonprater 
suiker uit licht lucht en water
dier en mens zijn vaste klant
alle voedsel van de plant
lach niet zo groen
probeer het te doen
ja botanie
is al chemie

je ziet er ineens zo kwaad uit ?

PIERKE JIJ BOOSAARDIG MENS
mijn klein nichtje
onschuldig wichtje
heb jij afgezaagd
’t is godgeklaagd !

onze relatie is wat ambigu
soms zelfs een beetje cru
hiervoor is dit gedicht
echter veel te licht
wat vind je van mij ?
’t is de laatste vraag

EEN ENORME ZAAG !
ach domme kwast
geef me een knuffel
pak me vast
norse schors
gevoelige bast      
                                                

Bruno Drieskens                                       
(uit : door bomen –december 2010)

 

 

 


 

Contacteer ons

Geschreven op 14-3-2011